logo Sociale economie

Communicatie

8/7/2009: Sociale economie is veel meer dan een opstap

PERSBERICHT VOSEC - Brussel, 8 juli 2009

Voor UNIZO zijn jobs in de sociale economie per definitie geen “echte” jobs, staat te lezen in hun persbericht vandaag. Het zijn hooguit “tijdelijke haltes op de weg naar de reguliere economie”. Meer nog, de “echte banen bij de KMO’s komen bovendien in het gedrang door de deloyale concurrentie” vanuit de sociale economie, zo klaagt men, en sociale clausules bij aanbeste- dingen vanuit de overheid sluiten die echte werkgevers dan ook nog eens uit.

De sector zelf, bij monde van VOSEC, kan hiermee niet akkoord gaan. Integendeel, we zijn van mening dat investeren in sociale economie wel degelijk echte jobs oplevert. Jobs bovendien, die zowel een grote economische als een maatschappelijke meerwaarde hebben. In plaats van steen en been te klagen over vermeende valse concurrentie, zouden de Vlaamse KMO’s zich beter spiegelen aan het innoverend vermogen en de rendabele sociale doelstellingen van de sociale economie. Sociale clausules zijn hét overheidsinstrument bij uitstek om hen daarbij aan te porren.

 

Echte of valse banen?

De inschakeling van zogenaamde kansengroepen op de reguliere arbeidsmarkt is één van de hoofddoelstellingen van de sociale economie, maar het is zeker niet de enige. Voor sommigen zal een job in pakweg een kringwinkel, een beschutte werkplaats of een fietspunt ook de eindhalte zijn. Daar is niets mis mee. Het is een waardevolle job voor de werknemer in kwestie; meestal de enige job die hem of haar wordt aangeboden.

Overigens, bijna 40 % van de sociale economie ondernemingen - kleine tot middelgrote KMO’s - zijn lid van UNIZO. Daarnaast participeert UNIZO op lokaal vlak in meerdere sociale economie initiatieven in de beleidsstructuren en groeit er heel wat constructieve samenwerking met de reguliere economie. Wat lokaal wel kan, vertaalt zich blijkbaar niet op nationaal niveau.

 

Het spook van de valse concurrentie

Laten we ook voor eens en voor altijd komaf maken met de eeuwige beschuldiging van “valse concurrentie”. Bij het ontwikkelen van activiteiten in de sociale economie wordt er doorgaans juist vertrokken van blinde vlekken op de markt, waar er dus per definitie geen door de private sector als voldoende winstgevend ingeschatte activiteit te ontwikkelen valt. Een boodschappendienst voor ouderen, oppas van senioren buiten de reguliere uren, een strijkdienst, recyclage van tonnen afgedankte spullen zoals huisraad, meubels, fietsen, boeken…

Dat de sociale economie er toch in slaagt in deze niches activiteiten uit te bouwen, ligt niet enkel aan financiering vanuit de overheid. De middelen die men krijgt worden immers ingezet om het rendementsverlies op te vangen dat opgelopen wordt omdat men zich specifiek richt op de tewerkstelling van kansengroepen en dienen dus niet om de prijs kunstmatig te drukken.

Dat er in de sociale economie toch meerwaarde gecreëerd kan worden, zou eerder inspirerend moeten werken dan afgunst op te wekken, omdat ze van een creativiteit getuigd die in de reguliere economie niet altijd even evident is. Men zou dus beter winwin- effecten nastreven door samen te werken.

Overigens, ook de reguliere bedrijven krijgen steun. Of spreken we plots niet meer in termen van concurrentievervalsing als het gaat over de notionele aftrek, vrijstelling van vennootschaps- belasting, ecologiepremie of KMO portefeuille?

De door de sociale economie geleverde diensten of gerealiseerde producten hebben een prijs. Een correcte prijs. Ook de sociale economie ondernemingen moeten hun balans in evenwicht houden en het nodige rendement halen om de tewerkstelling duurzaam te garanderen.

Maar dit rendement gaat verder dan de pure winst. Er is ook de maatschappelijke winst. De fietspunten bijvoorbeeld - bewaring en basisherstelling van fietsen aan stations - nodigen de treinreiziger uit om de fiets te nemen naar het station i.p.v. de auto of zelfs een nieuwe aan te schaffen. De fietsverkoop aan particulieren en ondernemingen, die een fietsbeleid opstarten voor hun werknemers, is nog nooit zo sterk gegroeid als de voorbije twee jaren. Dat blijkt uit de groei van aantal fietshandelaars in meerdere regio’s. En niet te vergeten: meer fietsen betekent minder files, minder CO2-leed. Wie verliest hierbij?

Energie en milieu is nog zo’n mooi voorbeeld van een win-win op alle fronten. De energie- snoeiers screenen de woning van sociaal kwetsbare gezinnen op hun energiegebruik (elektriciteit, warmte, isolatie) en brengen kleine aanpassingen aan zoals deurstrips of energiezuinige lampen. Naast de nieuwe tewerkstelling die hiermee wordt gerealiseerd (100 personen voltijds), krijgt het milieu hiermee een positief duwtje in de rug en tot slot pikt de klein - of groothandel in isolatiematerialen een graantje mee.

 

Vertrekken vanuit de persoon én de organisatie

Het gaat echter ook om het soort economie dat we willen: één die evolueert naar het stellen van onrealistisch hoge eisen aan alle kandidaat-werknemers, zodat steeds meer mensen uit de boot vallen, of één die de creatieve reflexen bezit om het productieproces zo te organiseren dat eenieder de mogelijkheid krijgt zijn of haar potentieel maximaal te ontwikkelen. Het is onze overtuiging dat men zo beter gewapend is om bij conjuncturele schokken een sociaal bloedbad te vermijden.

De stoomcursus in de gevolgen van de crisis, die we de laatste maanden meemaken, is nog niet voorbij of UNIZO is de les al vergeten. We moeten sociale economie niet herleiden tot tussenstop op de weg naar werk voor wie niet meer mee kan, maar juist als laboratorium om recepten te ontwikkelen waarmee we op een andere manier aan economie kunnen doen, zodat voortaan iedereen mee kan.

Daarom is het belangrijk niet enkel te kijken naar wat een persoon in kwestie nodig heeft om op de arbeidsmarkt te geraken, maar ook naar hoe bedrijven en organisaties zich kunnen organiseren om drempels zo veel mogelijk weg te werken. Sociale clausules, die een aantal voorwaarden opleggen wanneer men een overheidsopdracht binnenhaalt, zijn een uitstekend instrument om bijvoorbeeld het belang van diversiteitsbeleid te laten doordringen bij de bedrijven. De slechte tewerkstellingscijfers van allochtonen, ouderen of personen met een handicap, zowel in hoog- als laagconjunctuur, zijn immers het beste bewijs dat de gemiddelde Vlaamse werkgever daar bijzonder hardleers in is.